Bloeyendael 40 jaar jong

|Bloeyendael 40 jaar jong
Bloeyendael 40 jaar jong2018-11-19T17:19:26+00:00

25 jaar Bloeyendael

Een ontworpen park
Verbaasd waren ze, de bouwheren van de Fortisbank. Ik had me  voorgesteld als de ontwerper van Bloeyendael. Mensen van Stichting Bloeyendael hadden hun doen geloven, dat het park als vanzelf vanuit een natuurlijk proces was verrezen.

Iemand met een groen hart
Stedenbouwkundige Con Hanekroot nam in het Bestemmingsplan Rijnsweerd de groene functies Volkstuinen en Wandelpark op. Con was een stedenbouwkundige met een groen hart.  Rijnsweerd Noord was bestemd voor grote kantoren. Bloeyendael was het pauzepark.

Een “bom” onder de geijkte groenaanleg
Louis Leroi uit Oranjewoud bij Heerenveen had in de jaren’60 met zijn visie “Natuur Inschakelen” een bom gelegd onder de groenaanleg van plantsoenendiensten. Wie van zijn visie kennis nam, kon nooit meer doorgaan in het oude stramien. Leroi werd niet zo maar gevolgd. Wel werden er op allerlei niveaus relaties gezocht met ecologie  bij  groenontwerp. Mijn generatie groene landschapsarchitekten, van de Amsterdamse Akademie voor Bouwkunst, ontwikkelde een ontwerpbenadering, waarin Beeld en Functie en Natuur een evenwaardige rol speelden.

Bloeyendael is daarvan een product, naast het park de Uithof in Den Haag van Egbert Schuttert en het Dorpsbosje van Ten Boer in Groningen van Jos Jacobs. Mijn vrouw Mariske Pemmelaar ontwierp toen Recreatiegebied Het Twiske bij Landsmeer, nu Natura 2000 gebied.

Natuurontwikkeling
Dr Londo van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Leersum onderzocht de invloed van  bodemsoorten op  vegetaties. Daarvoor waren diverse bodemsoorten in posities t.o.v. elkaar aangelegd.  Hiermee toetste hij de theorie van de ecoloog Chris van Leeuwen. Arme grond hoog en rijke grond laag geeft een grotere soortenrijkdom. In het Bloeyendaelontwerp dat in 1975/1976 ten uitvoer is gebracht, zijn lessen hieruit toegepast.

Een terrein uitgesneden tussen grote wegen en grote kantoren
Fort de Bilt , de Offerhausweg, met de Grift waren een sterk ruimtelijke gegeven. De ruimtelijke inrichting moest zich daarop richten. Ik wilde Bloeyendael bewust een op zichzelf staand karakter geven. Een park voor de bewoners van Utrecht. Niet alleen maar voor de werknemers van de AMEV. De mensen moesten het park beschouwen als iets dat “eigen” is. Het eigene van het park wilde ik voor een groot deel uit het terrein zelf oproepen. De Biltsche Grift had een slechte waterkwaliteit. Daarom besloot ik het interne water af te dammen. Vanuit de pas aangelegde Galileilaan had men puin en grond gestort.  De wilde stort had het bestaande slotenpatroon gespaard.

Meer kantoren
Het Utrechts Ontwikkelingsbedrijf wilde later in 1990 het volkstuincomplex en Bloeyendael als zichtlocaties langs de wegen bebouwen. Binnen het apparaat stond ik met mijn weerstand alleen. De voorzitter van de volkstuinvereniging belde me op het werk. Hij moest zijn leden het slechte nieuws gaan brengen. Van bebouwing van Bloeyendael wist hij nog niets. Toen verscheen een artikel over het bouwvoornemen in het  Utrechts Nieuwsblad. De weerstand vanuit Utrecht Oost was overweldigend. Achter “elk spilleboompje” bleek  een inwoner te staan.
Het Ontwikkelingsbedrijf heeft het intrekken van hun plan nog lang  genoemd als onterechte inmenging. Ik las dat jaren later in een onderzoeksrapport over bedrijvenlocaties en groen van  het Ministerie van VROM.
Bij de afdeling Stedenbouw zagen sommigen mij als heimelijke aanvoerder van een burger­lijke opstand. Ik heb dat maar zo gelaten.

Hans Pemmelaar, landschapsarchitekt