P1010101

Er valt veel te eten in Bloeyendael, zo blijkt tijdens een wandeling door het park onder leiding van Christien Hidding. Het begint al bij het hek waar het daslook welig groeit en bloeit. Zowel het blad, de bloem, het zaad en de wortelbol kunnen geconsumeerd worden. Helaas is de plant beschermd, dus deze kennis komt ons erg niet van pas.

Aan de 11 deelnemers die zich op 7 mei vervoegen in het paviljoen, legt Christien – een trouwe vrijwilligster van de stichting – uit dat wild plukken zo oud is als de mensheid. De landbouw is van later datum. Volgens de zogenaamde vuilnisbelt-theorie zou de landbouw ontstaan zijn rondom menselijke nederzettingen waar de zaden van geconsumeerd graan, groente en fruit ontsproten. De gewoonte om kruiden, planten en bessen te verzamelen in de bossen en wouden is in al die millennia blijven bestaan, en is in sommige landen nog springlevend.

Onder een blauwe hemel en stekende zon leren we op onze ronde dat veel bloemen van planten genuttigd kunnen worden, en als versiering op de sla verwerkt kunnen worden. Zoals de pinksterbloem, paardenbloem, meidoorn, koolzaad en fluitenkruid. Vooral in de lente zijn veel onderdelen van planten eetbaar. Soms als salade, zoals molsla (de jonge blaadjes van de paardenbloem) en weegbree, maar vaker als kruid, zoals look zonder look en hondsdraf.

Een bruikbare gids is het boek Eetbare Wilde Planten, 200 Soorten herkennen en gebruiken van de auteurs Fleischhauer, Guthmann en Spiegelberger.