Ook bijensterfte in Bloeyendael
Sinds mei 1980 staan er bijenvolken in de “heemtuin” van Bloeyendael. Aanvankelijk acht  volken later vanaf 1997 circa zestien tot twintig. Deze bijenvolken zijn altijd op een bijen- en milieuvriendelijke wijze behandeld. Maar dat bleek niet voldoende.

De volken floreerden, maar vanaf het bijenseizoen 2006 verliep hun ontwikkeling in voorjaar en zomer duidelijk trager. In oktober 2007 werd op een dag voor leraren bijenteelt verteld, dat in Spanje een nieuwe eencellige parasiet (Nosema ceranae) was gevonden, die leeft in de darmcellen van de honingbij. De dag erna heb ik al mijn bijenvolken bemonsterd en zag dat al mijn volken met de nieuwe parasiet waren besmet. Tot de komst van deze nieuwe nosemaparasiet kwam er in West-Europa alleen Nosema apis voor. Ook deze kan onder slechte omstandigheden na bijvoorbeeld natte zomers en onhygiënisch imkeren, desastreus optreden. Bij het bijenvriendelijk imkeren en werken met schone raat (= niet besmet met sporen), vormt de eigen ”nosema” nooit een probleem. Tegen de nieuwe parasiet hebben de bijen te weinig weerstand: in korte tijd kunnen bijna alle cellen van de darm geinfecteerd en vernield worden. Na het afsterven van een besmette cel komen circa 500 nieuwe sporen vrij. Zo kunnen al snel miljoenen sporen in de bijendarm voorkomen, die met de uitwerpselen naar buiten komen en daarna mogelijk gezonde bijen besmetten. Sterk besmette bijen leven aanzienlijk korter. Zijn er veel aangetaste bijen in de kolonie, dan is het volk ziek. Bijen die hun einde voelen naderen, verlaten de woning en sterven in het veld. Anders dan bij de oorspronkelijke nosema kunnen de bijen bij een zware besmetting door de nieuwe parasiet nog wel vliegen en verdwijnen zo, meestal onopgemerkt door de imker. Zo ontstond in de volksmond de nu niet meer gebruikte term “verdwijnziekte”.

De grote vraag is: Hoe komt die darmparasiet van de Indische honingbij (dezelfde als waar de varroamijt vandaan komt) hier terecht? Net zoals de varroamijt in het verleden overstapte van de Indische op de westerse honingbij, is dit ook bij de nieuwe nosema het geval.

Merkwaardig is, dat de Primorskybij – een bijenras uit Aziatisch Rusland die al lange tijd contact heeft met Indische bijen – van nature is besmet met de Nosema ceranae. De Primoskybij is in de USA geïmporteerd, omdat hij minder last heeft van de varroamijt. Op nosema heeft men toen niet gelet. Een paar jaar later zijn zij ook in Nederland geïmporteerd door een groep onverantwoordelijk optredende imkers om onze bijen te “redden” van de varroamijt. Merkwaardig is ook, dat in de USA de verdwijnziekte (daar Colony Collaps Disorder of CCD genoemd) een paar jaar eerder begon dan hier.

De nieuwe nosema richt veel schade aan in de volken op Bloeyendael. Er is nog geen remedie bekend. De schade is zelfs groter dan door de varroamijt. Deze laat zich tenminste goed bestrijden.
Door herhaalde importen van zogenaamde “betere” bijenrassen uit het buitenland sinds het openstellen van de grenzen binnen Europa in 1970, zijn de problemen met de honingbijen alleen maar groter geworden. En zeker niet alleen door pesticiden. Allerlei virussen en andere ziekteverwekkers zijn geïmporteerd. De lopende onderzoeken in de wereld proberen duidelijkheid te scheppen welke aantasting of combinatie van aantastingen de hoofdoorzaak is van de grote volksterfte onder de bijen.
Tot de jaren zeventig had Nederland nog het gezondste bijenbestand van heel Europa. De Nederlandse bijen stonden in het buitenland bekend als een sterke dieren met een grote weerstand tegen ziekten. Wij hadden hier de bijen die met recht de naam “duurzaam” mochten dragen.

De overheid heeft het in de jaren zeventig niet nodig gevonden om paal en perk te stellen aan vreemde importen vanwege faunavervalsing. Ook bepaalde groepen imkers en imkerverenigingen zouden de hand is in eigen boezem moeten steken en wat meer respect tonen voor de betekenis en belangen van de echte duurzame donkere bij in Nederland, die door steeds verdere bastaardering wordt bedreigd.
De wel milieu- en natuurvriendelijk werkende imkers hebben geen enkele mogelijkheid om de invloeden van vreemde rassen in de omgeving op hun bijen tegen gaan. Na meer dan vijftig jaar succesvol imkeren bleek er dit voorjaar ook een abnormaal grote sterfte onder de bijenvolken in Bloeyendael te hebben plaatsgevonden. Theo de Ronde